Start Submission Become a Reviewer

Reading: Spraakverwarring over participatie

Download

A- A+
dyslexia friendly

Articles

Spraakverwarring over participatie

Author:

Marja Jager-Vreugdenhil

About Marja
Marja Jager-Vreugdenhil MSc, is researcher at the Centre for Societal Issues (CvSv), at the Reformed University of Applied Sciences (Gereformeerde Hogeschool) Zwolle. She is currently working on a PhD thesis about the ambitions of the Dutch Social support act with regard to participation. She participated in research on “Trust in the neighbourhood” (Vertrouwen in de buurt) and “Trust in the school” (Vertrouwen in de school) by the Dutch Scientific Counsel for Government Policy (WRR). Correspondence to: P.O. Box 10030, 8000 GA, Zwolle.
X close

Abstract

Confusion between tongues about participation “Participation” is a popular word in Dutch local policy, even more since the introduction of the Social Support Act (Wet maatschappelijke ondersteuning) and Participation Act (Wet participatiebudget). Using the same word, both laws refer to different types of participation. Participation has different meanings, dependent on the actor and context of the participation. This article describes some of the meanings, and usages, of the concept of participation. Based on the context five main types of participation should be distinguished: economic, political, educational, societal and social participation. Different disciplinary approaches and policy goals can value one type of participation “higher” than another type; this can be concluded from several “participation ladders”. Discussions on participation often have this normative character. Policymakers should realize that this norm comes forth from their own policy goals and thus their own system. The word participation itself has an inherent institutional or system character. To avoid confusion between tongues, policymakers should specify actor and context with the word participation, and rather avoid using the word “participation” at all. Other words that can be used instead are: to want, to be able to, and to be allowed to contribute to, to profit from. Spraakverwarring over participatie In de beleidspraktijk van gemeenten ontstaat gemakkelijk spraakverwarring rond het begrip “participatie”. Diverse gemeentelijke afdelingen hebben ermee te maken, onder andere door de Wet participatiebudget of de Wet maatschappelijke ondersteuning. Toch heeft participatie uiteenlopende betekenissen, afhankelijk van actor en context van de participatie. In dit artikel wordt een schets gegeven van de uiteenlopende betekenissen en het uiteenlopende gebruik van het begrip participatie. Op basis van de context worden vijf hoofdtypen onderscheiden: economische participatie, politieke of beleidsparticipatie, onderwijsparticipatie, maatschappelijke en sociale participatie. Vanuit verschillende disciplines en beleidsdoelstellingen gezien kan de ene vorm van participatie “hoger” worden geacht dan de andere vorm; dat is bijvoorbeeld zichtbaar in diverse participatieladders. Het spreken over participatie is daarmee al snel normatief geladen: uit de participatieladder blijkt een voorkeur voor de ene vorm van participatie boven de ander. Het is van belang dat beleidsmakers zich realiseren dat deze norm voortkomt uit hun systeemwereld, en dat het spreken over participatie op zich al sterk een institutioneel of systeemkarakter met zich meedraagt. Om spraakverwarring te voorkomen is het daarom beter dat ze het woord participatie vermijden en andere woorden gebruiken die preciezer weergeven wat ze bedoelen. Dat betekent dat ze in elk geval de actor en context specifiek benoemen. Het woord participatie kan vervangen worden door woorden als: willen, kunnen of mogen bijdragen aan of delen in.
DOI: http://doi.org/10.18352/jsi.251
How to Cite: Jager-Vreugdenhil, M., (2011). Spraakverwarring over participatie. Journal of Social Intervention: Theory and Practice. 20(1), pp.76–99. DOI: http://doi.org/10.18352/jsi.251
Published on 10 Mar 2011.
Peer Reviewed

Downloads

  • PDF (EN)

    comments powered by Disqus